Je bekijkt nu Jeugdzorg, onderwijs en de rol van de kinderrechter
Rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam Wilhelminaplein 100-125

Jeugdzorg, onderwijs en de rol van de kinderrechter

Er woeden veel discussies over Jeugdzorg. Telkens weer duiken voorbeelden op van zielige verhalen: lege koelkasten, ernstig verwaarloosde kinderen, verslaafde ouders met altijd weer eenzelfde boodschap: Zie nou wel, het gebeurt nooit zomaar. Lang niet alle dossiers bestaan echter uit dit soort ellende, regelmatig gaat het om aanzienlijk mindere zorgen waarbij maar zelden de vraag wordt gesteld of het middel niet erger is dan de kwaal.

Te weinig wordt dan aandacht besteed aan de concrete feiten, vaak eenzijdig gesteld in de dossiers. Dossiers waar de kinderrechter uiteindelijk wel zijn beslissing op baseert. Het enkel lezen van een dossier dat is opgesteld door één partij, is in het algemeen onvoldoende om werkelijk te kunnen spreken van goed onderzoek. Dat geldt niet alleen voor de kinderrechter, maar ook voor journalisten. Want wie toetst of wat er in het dossier staat opgeschreven wel klopt en waaraan? Als ouders geen advocaat hebben (wat nog steeds niet verplicht is) en  communicatief minder vaardig zijn, dan kunnen zij alleen maar op de zitting mondeling aangeven wat er allemaal niet klopt en staan ze binnen een half uur weer buiten, met zo goed als nihil kans dat het verzoek om een kinderbeschermingsmaatregel (een OTS of uithuisplaatsing) wordt afgewezen.

Maar ook als ze wel een advocaat hebben en goed onderbouwd kan worden dat het nog maar de vraag is or geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en ouders wel degelijk hulp aanvaarden, is die kans nog steeds heel gering. Want aan waarheidsvinding wordt niet echt gedaan in het Jeugdrecht en er vindt geen goed en adequaat onderzoek plaats nog voordat ingrijpende maatregelen worden opgelegd. Onderzoek dat voldoet aan alle eisen waaraan een degelijk onderzoek behoort te voldoen om ingrijpende maatregelen in een gezin te rechtvaardigen, bestaande uit hoor en wederhoor, verificatie en falsificatie, onderbouwing, ontdaan van vooringenomenheid en een volledige presentatie van de feiten. Dat laatste betekent bijvoorbeeld dat ontlastende feiten niet even weggelaten mogen worden. Dat zou moeten gebeuren door onderzoekers met ervaring en kwalificaties op onderzoeksniveau. De praktijk is helaas anders, niet alleen zijn deze onderzoeksvaardigheden vaak ver te zoeken. Regelmatig is het enkel stellen dat er zorgen zijn door een enkele jeugdbeschermer al voldoende om een ingreep in een gezinsleven op te leggen of deze te verlengen. Dat die zorgen worden geuit in  vaak lijvige rapportages, maakt dat niet anders nu zelden iemand wat kan inbrengen tegen die rapportages, ook als informatie echt niet (meer) klopt.

Ook al heb je als gezin je zaken goed op orde, nadat je ook nog eens het toeslagenschandaal overleefde zullen er altijd jeugdbeschermers zijn die op een zitting blijven spreken over zorgen. Waarover precies kunnen ze dan niet helemaal zeggen, laat staan onderbouwen, maar ze hebben zorgen. En wanneer dan de kinderrechter desondanks daarin meegaat, en hetgeen namens ouders onderbouwd naar voren is gebracht al te eenvoudig wordt afgedaan, vraag ik me altijd weer af waarom artikel 3.3 Jeugdwet is opgenomen. “De raad voor de kinderbescherming en de gecertificeerde instelling zijn verplicht in rapportages of verzoekschriften de van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.”

Een loos stukje wet, want er is zelden een rechter die controleert of dat ook is toegepast. Sterker als je voor je cliënten het tegendeel aanvoert, onderbouwt met stukken, en dus niet alleen maar iets bloot stelt, blijft de kans meestal net zo groot dat niet ouders, maar de GI (gecertificeerde instelling) of de raad in het gelijk wordt gesteld. Dat zijn geen incidenten. Dat gebeurt te vaak.

De casus

In dit geval zijn cliënten niet alleen gedupeerden van de toeslagenaffaire, ook het onderwijs voor hun kinderen ging niet over een leien dakje. Ouders wilden graag speciaal onderwijs en deskundigen waren dat met hen eens. De school vindt dat echter allemaal niet zo nodig. Er werd evenmin iets gedaan aan pesten en de directrice van de school presteerde het zelfs om een keer zomaar het huis van cliënten binnen te lopen. Het gevolg was dat het oudste kind uitvalt op school waardoor sprake is van (absoluut) verzuim en er twee Zwaarden van Damocles verschijnen; een van Veilig Thuis en een van Leerplicht, zoals ook in dit geval.

Wanneer de Raad voor de Kinderbescherming vervolgens een verzoek tot ondertoezichtstelling doet, zit het kind inmiddels wel op speciaal onderwijs en gaat het eindelijk fantastisch met hem. Door achterstanden wordt het onderzoek nog later behandeld. Hij heeft op het moment dat het voor de rechter komt, niet alleen uitstekende cijfers die ook de kinderrechter heeft gezien en er is ook geen verzuim meer. Ouders hadden al die tijd gelijk.

Op het moment van de behandeling van de aanvraag van een ondertoezichtstelling (OTS) waren de problemen al lang voorbij en over. Op de zitting leek de kinderrechter dan ook zeer kritisch over de rol van school, ook naar de raad toe en werd toegegeven dat dit toch echt niet aan ouders verweten kon worden. De twee jonge medewerkers van de GI kwamen niet veel verder dan de herhaling dat er zorgen waren en dat omdat nog helemaal niet vaststond of het op de nieuwe school wel goed zou blijven gaan.

Na afloop leek het vrij duidelijk: kat in bakkie. Het ging goed met alle kinderen uit het gezin en de kinderrechter was op de zitting terecht kritisch op de rol van school: onvoorstelbaar als het verzoek zou worden toegewezen. Maar dat onvoorstelbare gebeurde toch. De kinderrechter construeerde een motivering met kindeigen systeemproblematiek en concludeerde tot de vereiste ontwikkelingsbedreiging. Sterker, de kinderrechter verwijt het vervolgens ouders dat zij hun kinderen niet uit de strijd met school hebben weten te houden. De ondertoezichtstelling werd gewoon uitgesproken.

Na de toeslagenaffaire die maakte dat zij hun huis moesten verkopen, in de schulden geraakten en zij in diepe ellende terecht kwamen, een weigerachtige school met schooldirectrice die de grenzen van het betamelijke had overschreden, kregen ouders binnenkort opnieuw staatsinmenging. Ondertussen kregen ze ook nog eens een voorwaardelijke veroordeling aan hun broek voor het overtreden van de Leerplichtwet.

Hoger beroep

Weinig andere mogelijkheden dus dan hoger beroep instellen. Intussen werd de OTS wel werd uitgevoerd, en besluit diezelfde Jeugdbescherming vlak voor de zitting bij het Gerechtshof om zonder overleg met ouders, een kindgesprek aan de te gaan op diezelfde school waar hun andere kind nog steeds zit en ook in het verleden flink gepest werd.

Het meisje wordt dan niets vermoedend door de intern begeleider van de school uit haar klas gehaald om naar een apart kamertje gebracht te worden, alwaar ze bevraagd wordt door de twee jeugdzorgmedewerkers, middels de drie huizenmethode. Haar klasgenoten bestormden haar daarna met vragen want als je door de IB-er uit de klas wordt gehaald, is er iets met je aan de hand. Huilend kwam ze thuis.

Wanneer moeder in paniek belt mij haar advocaat, stellen de medewerkers dat zij hiertoe gerechtigd waren omdat je wanneer er eenmaal een OTS van kracht is, geen instemming meer van de ouders nodig is om een kindgesprek te mogen voeren. Dat klopt. Dat je dat op school doet waar ouders nog steeds niet helemaal in pais en vree mee leven en waar een kind zich tot voor kort onveilig voelde (zoals JBRR wist) geeft ernstig te denken over het inlevingsvermogen en de pedagogische vaardigheden van de jeugdbeschermers. Ze zullen het vast goed bedoeld hebben.  

Het Gerechtshof

In het hoger beroep werden geen nieuwe gronden aangevoerd, maar de feiten nog een keer beschreven. Bij het Hof, op de zitting werd nogmaals gevraagd aan zowel de Raad voor de Kinderbescherming, als aan de Jeugdbescherming om de ontwikkelingsbedreiging te concretiseren.

Daar werd wederom geen concreet en vooral actueel feit aangevoerd, dat een OTS rechtvaardigt. Er werd weinig meer gezegd dan dat er zorgen zijn en dat er nu eenmaal sprake is van kindeigen en of systeemproblematiek, oftewel onaardig gezegd: blah blah blah. Veel verder dan het in abstracto herhalen dat er nog steeds zorgen zijn, blijkt voor menig jeugdbeschermer een welhaast onmogelijke opgave.

De vraag is of dat ook wat uitmaakt. Zoals ook in deze zaak, was concrete en actuele onderbouwing ook helemaal niet nodig. De kinderrechter lijkt het regelmatig voldoende te vinden als enkel gesteld wordt dat er zorgen zijn. Het meest vergaande gevolg hiervan is dat het voor jeugdbeschermers sowieso niet nodig is om de eigen kwaliteiten te verbeteren, en aan waarheidsvinding te doen, de verzoeken worden toch wel toegewezen.

Het Gerechtshof Den Haag ging hier gelukkig niet in mee en stelde dat de zorgen onvoldoende concreet waren gemaakt en wees het verzoek om een ondertoezichtstelling alsnog af.

Nu kunt u zeggen daar bestaat hoger beroep voor, maar hier is iets structurelers aan de hand. Dat nog afgezien van het gegeven dat beroep alleen kan worden ingesteld door een advocaat en daar dan wel financiering voor beschikbaar moet zijn. En dat komt onvoldoende naar voren in alle huidige discussies over jeugdzorg. Waarom construeert de kinderrechter hier min of meer zelf de ontwikkelingsbedreiging, waarom deed de kinderrechter niets met de feiten die wel concreet waren en de actuele zorgen weerlegden?

In een land waar grote wachtlijsten in de jeugdzorg bestaan, de roep om meer geld blijft aanzwellen terwijl de minister van rechtsbescherming stelt dat geen kind in een situatie als deze verstoken mag blijven van hulp, zijn er vele momenten vooraan in het proces waar alle betrokken instanties zich keer op keer dienen af te vragen ( en dus te toetsen) of het opleggen van een kinderbeschermingsmaatregel en daarmee beslag op zowel de taken en het geld van o.a. Jeugdzorg en de rechtspraak werkelijk nodig zijn. Er waren geen concrete zorgen meer, er was geen ernstige ontwikkelingsbedreiging en al te makkelijk werd desondanks door de rechtbank meegegaan met het verzoek om een kinderbeschermingsmaatregel op te leggen.

In plaats daarvan veroorzaakten twee jeugdbeschermers een opnieuw slechtere verhouding met school, en zijn zij tot op heden zelfs niet op het idee gekomen om te zeggen dat ze dat anders hadden kunnen doen. Ook in dit verhaal zijn er vele mensen in het systeem bezig geweest om vooral de eenmaal gestarte trein maar te laten doordenderen. En dat stoppen kan blijkbaar alleen maar door tussenkomst van een advocaat, die ouders of zelf moeten betalen of waarvoor gefinancierde rechtsbijstand bestaat. De maatschappelijke kosten van een zaak als deze zijn sowieso enorm, waarbij het bedrag dat ik vanuit door de overheid gefinancierde rechtsbijstand betaald krijg, het laagste is. De prijs die ouders betaalden echter, is het allerhoogste; de totale onrust van opnieuw ongebreidelde overheidsinmenging.

Om een juister en completer beeld te krijgen van de zaak is ook het geanonimiseerde verweerschrift bij de rechtbank opgenomen.

Bijlagen:
Uitspraak Gerechtshof Den Haag
Uitspraak Rechtbank Rotterdam
Verweerschrift rechtbank